|
|
|
|
| 16 oktober 2011 - negenentwintigste zondag |
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||||||
|
Lezingen:
Jesaja
45,1.4-6
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
Matteüs situeert dit voorval in de dagen na Jezus’
intocht in Jeruzalem. Ondanks, of misschien juist vanwege zijn succes
bij het brede publiek, wordt de sfeer grimmiger. We hoorden het in de
lezingen van de voorbije weken: harde parabels, over ja-zeggers maar
niet-doeners; over pachters zonder scrupules die de opbrengst van de
wijngaard weigeren af te dragen aan de rechtmatige eigenaar. Farizeeën
en hogepriesters hadden het goed begrepen dat Jezus hun keer op keer
een veeg uit de pan serveerde en hun gezag bij het volk ondermijnde.
"Ze zochten naar een gelegenheid om Hem te grijpen, maar ze waren bang
voor de mensen omdat die Hem voor een profeet hielden", aldus Matteüs
21,46. Als Jezus van geen ophouden weet en Hij hen
vervolgens vergelijkt met ‘genodigden die hun kat sturen naar het
bruiloftsfeest dat God aanricht’ – de parabel van verleden week – is
de maat vol. Er moet een eind komen aan die subversieve praat! Maar
gezien zijn groeiende populariteit blijft voorzichtigheid geboden. Ze
sturen gezanten om Jezus erin te luizen. Zelf houden ze van op afstand
de zaak in de gaten. Hun woordvoerders smeren eerst Jezus stroop om de
mond: ‘Meester, u bent een waarheidlievend man, u kijkt niemand naar
de ogen en geeft in alle oprechtheid onderricht over de weg van God.’
En dan komt die schijnbaar onschuldige vraag over het al dan niet
betalen van belasting aan de keizer. Jezus doorziet ze en scheldt ze
uit voor ‘huichelaars’. Want onschuldig is de vraag geenszins. Zegt Hij ‘wel betalen’, dan keren al wie zich teweerstellen tegen de Romeinse bezetter Hem de rug toe. Zegt Hij ‘niet betalen’, dan is Hij een provocateur, iemand die openlijk oproept tot boycot, en dat kan de Romeinse overheid niet over haar kant laten gaan. Jezus houdt zich in eerste instantie van de domme.* Het lijkt wel of Hij niet weet hoe geld er uitziet. ‘Van wie is die afbeelding en dat randschrift?’ – ‘Van de keizer.’.- ‘Geef dan terug aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is.’ Daar moeten de gezanten van Farizeeën en Herodianen het mee doen. Een antwoord dat de gespannen relatie wellicht nog meer heeft verpest. Misschien lijkt het niet zo op het eerste gezicht,
maar Jezus zegt hier iets heel wezenlijks. Zijn antwoord heeft de
bijklank van: ‘Dat verdomde geld en die keizer… de moeite niet waard
om je daarover op te winden. Hou je liever bezig met wat relevant is:
geef aan God wat van God is. Zijn koninkrijk komt eraan en dan is uit
met de wereldlijke keizerrijken.’ Vraag is dan: wat hebben wij God te geven? Wat is ‘van Hem’? Jezus relativeert hier de maatschappelijke
structuren. Dat is niet hetzelfde als zeggen: je moet er geen aandacht
aan besteden. Evenmin betekent het dat geloof en samenleving twee
werelden zijn die niets met elkaar te maken hebben. Integendeel, ze
hebben heel veel met elkaar te maken, maar ze staan niet op gelijk
niveau. De mensenwereld en zijn structuren zijn ondergeschikt aan, en
moeten beoordeeld worden in het licht van Gods rijk dat komt. ‘God
geven wat van Hem is’ wil dus zeggen: bouw aan een wereld waar mensen
kunnen samenleven op de wijze die God zich gedroomd heeft toen Hij de
mens schiep naar zijn beeld en gelijkenis. Keizers, koningen, volkeren
en naties zijn instrumenten in dienst van een Godwaardige wereld, wat
synoniem is voor een echt menswaardige wereld. Dit is geen vrijblijvende vrome praat, maar een
hoogst actueel appel. Keizers, volk en natie gaan zich steeds meer als
autonome machten profileren. De concrete invulling van die begrippen
hangt af van de context, maar steeds meer hebben ze te maken met ‘wij
belanghebbenden’, met ‘eigen-groepsbelang’, met het sluiten van de
eigen gelederen ten koste van hen die niet tot onze club behoren. Redenerend vanuit het standpunt van ‘wat van God
is’ horen zulke breuklijnen tussen ‘wij’ en ‘zij’, niet thuis in deze
wereld. God wil dat zijn kinderen – al zijn kinderen, tot welke
godsdienst, huidskleur of sociale klasse ze ook behoren – tot hun
recht komen, dat de goederen van deze wereld eerlijker verdeeld
worden. En waar de politiek daar niet aan toe komt (zij luisteren
eerder naar wat hun kiezers willen dan naar de wetten van de
rechtvaardigheid), daar moet een tegendraads appel opklinken. Dat is geen zaak van de individuele gelovige.
Geloof dat beleefd wordt als een privézaak heeft geen stem op het
publieke forum. En dus moeten wij – gehoord gevend aan Jezus’ woord –
samen geloven, samen kerk zijn om te voorkomen dat we ons blind staren
op het eigen groepsbelang. Jezus was er niet tegen dat de keizer kreeg wat hem
toekwam. Maar Hij wilde alles bezien en beoordelen door de bril van
God. Trouw aan die opdracht kostte zijn inzet hem het leven. Van zijn
kant was ook God trouw aan Jezus, en nam Hij hem op in zijn eeuwig
leven - eeuwig levend om ons, mensen, tot voedsel te zijn. Samen gelovend vormen we een kring rond zijn tafel
met brood en wijn. Door Hem gevoed hebben we deel aan zijn levensinzet
voor een betere wereld opdat ook wij samen, in ons maatschappelijk
bestaan, God kunnen geven wat van Hem is. Marc Christiaens o.p. (Schilde) * In een eerder verhaal (Mt. 17,24-27) zegt Jezus aan Petrus dat de kinderen Gods in principe geen tempelbelasting hoeven te betalen maar het beter toch doen om geen aanstoot te geven. Paulus dacht er ook zo over en raadt zijn christenen aan zich als loyale burgers te gedragen.Inspiratiebronnen: |