16 oktober 2011 - negenentwintigste zondag afdrukken  Word-document






 


Prekenlijst

Startpagina

Archieven

Register

Prekenportaal

Zondagsvieringen

Dominicanen

Lezingen:

Jesaja 45,1.4-6
Matteüs 22,15-21

Wenst u de preken thuis in uw elektronische postbus te ontvangen?
U kunt intekenen op onze
verzendlijst
.


Tekst van viering

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

   


God geven wat van God is

  Als in het Matteüsevangelie Jezus wordt aangesproken met ‘Meester’ dan is de lezer gewaarschuwd: bij hem zijn het alleen tegenstanders die deze aanspreektitel in de mond gelegd krijgen. Wat dan volgt is niet onschuldig.
Vandaag zijn mensen uit kringen van Farizeeën en Herodianen aan het woord. Geen vanzelfsprekende coalitie: de partijgangers van Herodes collaboreren publiekelijk met de Romeinse bezetter, wat van de Farizeeën zeker niet kan gezegd worden. Vanwaar dan dit monsterverbond? Het gebeurt wel vaker dat twee partijen hun onderliggende tegenstellingen tijdelijk tussen haakjes zetten om hand in hand een gemeenschappelijke vijand te lijf te gaan.
 

Matteüs situeert dit voorval in de dagen na Jezus’ intocht in Jeruzalem. Ondanks, of misschien juist vanwege zijn succes bij het brede publiek, wordt de sfeer grimmiger. We hoorden het in de lezingen van de voorbije weken: harde parabels, over ja-zeggers maar niet-doeners; over pachters zonder scrupules die de opbrengst van de wijngaard weigeren af te dragen aan de rechtmatige eigenaar. Farizeeën en hogepriesters hadden het goed begrepen dat Jezus hun keer op keer een veeg uit de pan serveerde en hun gezag bij het volk ondermijnde. "Ze zochten naar een gelegenheid om Hem te grijpen, maar ze waren bang voor de mensen omdat die Hem voor een profeet hielden", aldus Matteüs 21,46.

Als Jezus van geen ophouden weet en Hij hen vervolgens vergelijkt met ‘genodigden die hun kat sturen naar het bruiloftsfeest dat God aanricht’ – de parabel van verleden week – is de maat vol. Er moet een eind komen aan die subversieve praat! Maar gezien zijn groeiende populariteit blijft voorzichtigheid geboden. Ze sturen gezanten om Jezus erin te luizen. Zelf houden ze van op afstand de zaak in de gaten.

Hun woordvoerders smeren eerst Jezus stroop om de mond: ‘Meester, u bent een waarheidlievend man, u kijkt niemand naar de ogen en geeft in alle oprechtheid onderricht over de weg van God.’ En dan komt die schijnbaar onschuldige vraag over het al dan niet betalen van belasting aan de keizer. Jezus doorziet ze en scheldt ze uit voor ‘huichelaars’.

Want onschuldig is de vraag geenszins. Zegt Hij ‘wel betalen’, dan keren al wie zich teweerstellen tegen de Romeinse bezetter Hem de rug toe. Zegt Hij ‘niet betalen’, dan is Hij een provocateur, iemand die openlijk oproept tot boycot, en dat kan de Romeinse overheid niet over haar kant laten gaan.

Jezus houdt zich in eerste instantie van de domme.* Het lijkt wel of Hij niet weet hoe geld er uitziet. ‘Van wie is die afbeelding en dat randschrift?’ – ‘Van de keizer.’.- ‘Geef dan terug aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is.’ Daar moeten de gezanten van Farizeeën en Herodianen het mee doen. Een antwoord dat de gespannen relatie wellicht nog meer heeft verpest.

Misschien lijkt het niet zo op het eerste gezicht, maar Jezus zegt hier iets heel wezenlijks. Zijn antwoord heeft de bijklank van: ‘Dat verdomde geld en die keizer… de moeite niet waard om je daarover op te winden. Hou je liever bezig met wat relevant is: geef aan God wat van God is. Zijn koninkrijk komt eraan en dan is uit met de wereldlijke keizerrijken.’

Vraag is dan: wat hebben wij God te geven? Wat is ‘van Hem’?

Jezus relativeert hier de maatschappelijke structuren. Dat is niet hetzelfde als zeggen: je moet er geen aandacht aan besteden. Evenmin betekent het dat geloof en samenleving twee werelden zijn die niets met elkaar te maken hebben. Integendeel, ze hebben heel veel met elkaar te maken, maar ze staan niet op gelijk niveau. De mensenwereld en zijn structuren zijn ondergeschikt aan, en moeten beoordeeld worden in het licht van Gods rijk dat komt. ‘God geven wat van Hem is’ wil dus zeggen: bouw aan een wereld waar mensen kunnen samenleven op de wijze die God zich gedroomd heeft toen Hij de mens schiep naar zijn beeld en gelijkenis. Keizers, koningen, volkeren en naties zijn instrumenten in dienst van een Godwaardige wereld, wat synoniem is voor een echt menswaardige wereld.

Dit is geen vrijblijvende vrome praat, maar een hoogst actueel appel. Keizers, volk en natie gaan zich steeds meer als autonome machten profileren. De concrete invulling van die begrippen hangt af van de context, maar steeds meer hebben ze te maken met ‘wij belanghebbenden’, met ‘eigen-groepsbelang’, met het sluiten van de eigen gelederen ten koste van hen die niet tot onze club behoren.

Redenerend vanuit het standpunt van ‘wat van God is’ horen zulke breuklijnen tussen ‘wij’ en ‘zij’, niet thuis in deze wereld. God wil dat zijn kinderen – al zijn kinderen, tot welke godsdienst, huidskleur of sociale klasse ze ook behoren – tot hun recht komen, dat de goederen van deze wereld eerlijker verdeeld worden. En waar de politiek daar niet aan toe komt (zij luisteren eerder naar wat hun kiezers willen dan naar de wetten van de rechtvaardigheid), daar moet een tegendraads appel opklinken.

Dat is geen zaak van de individuele gelovige. Geloof dat beleefd wordt als een privézaak heeft geen stem op het publieke forum. En dus moeten wij – gehoord gevend aan Jezus’ woord – samen geloven, samen kerk zijn om te voorkomen dat we ons blind staren op het eigen groepsbelang.

Jezus was er niet tegen dat de keizer kreeg wat hem toekwam. Maar Hij wilde alles bezien en beoordelen door de bril van God. Trouw aan die opdracht kostte zijn inzet hem het leven. Van zijn kant was ook God trouw aan Jezus, en nam Hij hem op in zijn eeuwig leven - eeuwig levend om ons, mensen, tot voedsel te zijn.

Samen gelovend vormen we een kring rond zijn tafel met brood en wijn. Door Hem gevoed hebben we deel aan zijn levensinzet voor een betere wereld opdat ook wij samen, in ons maatschappelijk bestaan, God kunnen geven wat van Hem is.

Marc Christiaens o.p. (Schilde)

* In een eerder verhaal (Mt. 17,24-27) zegt Jezus aan Petrus dat de kinderen Gods in principe geen tempelbelasting hoeven te betalen maar het beter toch doen om geen aanstoot te geven. Paulus dacht er ook zo over en raadt zijn christenen aan zich als loyale burgers te gedragen.

Inspiratiebronnen:
Hein Schaeffer, Om God te geven wat God toekomt, in Kerugma, 45(2001-02), blz. 70-74
Y. van den Akker-Savelsbergh, in Tijdschrift voor Verkondiging, 77(2005), blz. 320-325